Terugblik

De renga: het oosterse antwoord op het socratische gesprek.
Job Degenaar

Het socratische gesprek, een methodiek die populair is in situaties waarin coaching gewenst is, is een wijze van communiceren die ten doel heeft om op een ontspannen manier meningen naast elkaar te plaatsen en te verbinden, uitgaande van ieders eigen wijsheid en visie.
Het is een gesprek waarin het rationele denken bindend is. De deelnemers luisteren naar elkaar, stellen vragen over feiten, niet over ideeën en visies, en stellen hun eigen mening uit teneinde open te kunnen staan voor de denkkaders van anderen. Pas aan het eind van het proces wordt gezocht naar een gemeenschappelijke visie, een synthese, een gezamenlijke mening, een eenduidig standpunt en zo mogelijk een gezamenlijke oplossing voor geboden problemen.

Bij de renga, een poëtische dialoog tussen twee of meer dichters, is in eerste instantie iets soortgelijks aan de hand.

Terugblik - reflectie van Job Degenaar

Foto: Job Degenaar – Grens Zuid Korea met zicht op Noord Korea

Hierin gaat het om een gesprek over ervaringen, uitgedrukt in tanka-vorm. Visies en oordelen mogen daarin in alle vrijheid naast elkaar bestaan. Soms zijn de opgeroepen gevoelens en gedachten tegengesteld, soms aanvullend en op andere momenten volgt na een sfeerimpressie een algemeniserende uitspraak over het menselijk bestaan of opiniërende ontmoetingen tussen de dichters.

Het uitgangspunt van de wisselwerking tussen de dichters is vergelijkbaar met dat van het socratische gesprek: de betrokkenen laten elkaar vrij in het etaleren van gedachten, gevoelens en meningen. Al is het grote achterliggende doel gelijk, namelijk communicatie, toch kent de renga een open einde, terwijl het socratische gesprek tot verbinding van opiniërende componenten dwingt.

Enkele voorbeelden ter illustratie van de inhoudelijke variëteit van de renga:

In de renga van Buschman met Henk van der Werff over afgelegen eilanden en rustende zeilboten vullen sfeervolle Hollandse en Spaanse registraties elkaar aan, soms met persoonlijke vereniging, zoals in:

de uren dat we
buiten alles om keken
naar de vogeltrek

Opiniërend kun je de beschrijvingen niet noemen, hoewel de slotstrofen toegespitst worden op wat de waarnemingen teweeg brengen bij de dichters, zoals in ‘de stilte die we vonden/ in de luwte van de duinen’ en ‘dit eiland – een thuis’. Hun drie renga-delen verbinden naadloos de mens en zijn Umwelt. Harmonie in optima forma.

De verhalende renga met Kees Donkelaar is vrij nuchter geformuleerd. In Limburgse mergelgrotten worden vleermuizen ‘gedetecteerd’ met gebarentaal ‘want doof’, wat leidt tot een filosofisch-psychologische reactie als:

in een wereld van doven
de enig horende zijn…

en

heb dus niet met mij van doen
men weet niet half wat ik kan

In de renga tussen Marthe Tensen en Simon Buschman vullen de notities elkaar aan, al spelen die zich af op verschillende locaties. Zodoende worden de Engelse roofvogels probleemloos met de Spaanse herfstdraden verenigd. Buschman vat in de renga het aldus samen:

tussen al hun werelden
raken stemmen in gesprek

Beide stemmen ‘tussen hen in’ spreken zich uit en verstaan elkaar, vergelijkbaar met het uiteindelijke doel van een socratisch gesprek.

Een ander verloop vindt plaats tussen een op het moment van schrijven tamelijk in zichzelf besloten dichter (Buschman) en Renate van Duuren. Laatstgenoemde heeft een reclamebureau en staat midden in de maatschappij. Ze hanteren hetzelfde middel om andere mensen te bereiken: de taal. Wat hen bindt is de fascinatie ervoor. Hun levenshouding blijft echter, ook aan het eind van het gesprek, even verschillend als daarvoor.

In de wisselwerking met Gerard Verbeek over het plotse verlies van een dierbare (‘ze is er gewoon nog steeds‘) is het landschap naar de achtergrond verdrongen en dient het hooguit als decor waarin het menselijke drama beleefd wordt, met een wijsgerig samenvattend einde:

ieder gaat een eigen weg,
daarin: wacht de avondwind

(waarbij ‘daarin’ een opmerkelijk dubbele syntactische functie heeft).

De tanrenga’s (een hokku/haiku en een wakiku) kenmerken zich door een concrete, ‘praterige’ wijze van schrijven. Je zou deze parlando-poëzie als vingeroefeningen kunnen beschouwen waarmee dichters gaandeweg in de materie thuisraken. Over een bepaald thema wisselen ze van gedachten. De een schrijft iets; de ander vult aan. Soms is een haiku van een vroege dichter het uitgangspunt, waar een latere dichter zijn mening over het beschrevene aan toevoegt.

In de monorenga’s van Simon Buschman gebeurt iets anders dan een alleenspraak: ze vormen een indringend gesprek en soms ook een strijd tussen twee of meer kanten van iemands persoonlijkheid, een dialoog – een tweegesprek – verenigd in één persoon.